Oefenwereld.nl: Maak alle website reclamevrij! Spellingoefenen.nl: Spelling oefenen voor groep 3,4,5,6,7 en 8 Taaloefenen.nl: Taal oefenen voor groep 3,4,5,6,7 en 8 Sommenoefenen.nl: Sommen oefenen voor groep 3,4,5,6,7 en 8 Redactiesommen.nl: Cito rekenen met verhaaltjessommen


Naam: ___________________________________       Niveau: Groep 7 - Midden


1
De bakker maakt 1000 ml gele room. Hij gebruikt 30% voor het opspuiten van gebakjes. Hoeveel ml is er daarna nog over?
_______________________700_______________________ ml
2
Bij de musical staan 1000 stoelen. 100 stoelen zijn voor kinderen. Hoeveel procent van de stoelen is dat?
_______________________10_______________________ %
3
De familie van Kayleigh bestaat uit 50 personen. 10 zijn kinderen jonger dan twaalf jaar. Hoeveel procent van de familie zijn kinderen onder de twaalf?
_______________________20_______________________ %
4
In een winkel kwamen 20 klanten met een kapot apparaat. 4 apparaten konden niet meer gemaakt worden. Hoeveel procent is dat?
_______________________20_______________________ %
5
1000 mensen staan op het vliegveld klaar om in te checken. Wanneer 100 mensen ingecheckt zijn, ontstaat er een storing bij de bagagebanden. Hoeveel procent van de mensen zijn ingecheckt?
_______________________10_______________________ %
6
In de bus zitten 40 mensen. 24 mensen luisteren muziek. Hoeveel procent van de mensen is dat?
_______________________60_______________________ %
7
De ouders van Noortje kopen een nieuwe boot van € 25000,-. Ze moeten 10% van het bedrag al voor de levering betalen. Hoeveel euro moeten de ouders van Noortje betalen?
_______________________2500_______________________ euro
8
De glazenwasser moet 200 ramen wassen van een flatgebouw. Na de eerste dag heeft hij 10% van de ramen gehad. Hoeveel ramen heeft de glazenwasser gedaan?
_______________________20_______________________ ramen
9
Sam heeft als doel om € 1000,- te sparen. Hij heeft al 10% van zijn doel behaald. Hoeveel euro heeft Sam al?
_______________________100_______________________ euro
10
Jill zit in het vliegtuig en de vliegreis is 15000 kilometer. Na een paar uur vliegen hebben ze 10% gehad. Hoeveel kilometer heeft Jill dan al gevlogen?
_______________________1500_______________________ kilometer