
1 |
In het kampoord zijn 15 bedden. Deze zijn eerlijk verdeeld over 3 kamers. Hoeveel bedden staan op elke kamer?
_______________________5_______________________ bedden
|
2 |
De hoveniers moeten 24 rozenstruiken knippen. Ze zijn met 3 hoveniers. Hoeveel rozenstruiken moet iedere hovenier doen?
_______________________8_______________________ rozenstruiken
|
3 |
Bij de kassa van het pretpark moet vader 50 euro betalen. Ze hebben 5 entreekaartjes. Hoeveel euro kost één entreekaartje?
_______________________10_______________________ euro
|
4 |
De schoenenfabriek maakt 40 paar schoenen. Deze worden verdeeld over 5 dozen. Hoeveel paar schoenen zitten er in een doos?
_______________________8_______________________ paar schoenen
|
5 |
De timmermannen moesten 2 planken één voor één naar de bovenste steiger sjouwen. Ze deden hier 8 minuten over. Hoeveel minuten deden ze over één plank?
_______________________4_______________________ minuten
|
6 |
Groep 8 gaat op kamp. De leerkrachten hebben 6 tassen. Er gaan 3 leerkrachten mee. Hoeveel tassen neemt iedere leerkracht mee?
_______________________2_______________________ tassen
|
7 |
Opa heeft 24 vissen gevangen. Hij verdeelt de vissen over 4 personen. Hoeveel vissen krijgt iedereen?
_______________________6_______________________ vissen
|
8 |
De groenteboer heeft 50 kiwi`s. Hij maakt zakjes van 5 kiwi`s. Hoeveel zakjes kan de groenteboer maken?
_______________________10_______________________ zakjes
|
9 |
Boer Janssen heeft 5 kilo voer. Ieder schaap eet 2 kilo per dag. Hoeveel schapen kan boer Janssen genoeg voer geven?
_______________________2_______________________ schapen
|
10 |
De groenteboer heeft 22 sinaasappels. Hij verdeelt deze over zakken van 10 sinaasappels. Hoeveel volle zakken kan hij maken?
_______________________2_______________________ zakken
|
Copyright 2024 © Redactiesommen.nl
Privacy beleid
Kijk ook eens op www.rekenspelletjes.nu en bijdeles.online (quiz taal/rekenen/spelling)






