
1 |
Anne heeft 6 rode ballonnen en 2 groene ballonnen voor haar feestje. Kaylee geeft haar nog 4 gele ballonnen. Hoeveel ballonnen heeft ze nu?
_______________________12_______________________ ballonnen
|
|||||
2 |
In het park bloeien al 16 narcissen. Er worden er 9 kapot getrapt. Hoeveel narcissen staan er nog?
_______________________7_______________________ narcissen
|
|||||
3 |
Bij de slager liggen 20 gehaktballen. Hij verkoopt er 8. Hoeveel gehaktballen heeft de slager dan nog?
_______________________12_______________________ gehaktballen
|
|||||
4 |
In de snoeppot van Kyra zitten 2 snoepjes. Haar broer Tim heeft er 7. Hoeveel snoepjes hebben Lisa en Tim samen?
_______________________9_______________________ snoepjes
|
|||||
5 |
De juf gaat vandaag 4 bladzijden voorlezen. Voor de pauze heeft ze er al 2 gedaan. Hoeveel bladzijden leest de juf vandaag nog voor?
_______________________2_______________________ bladzijden
|
|||||
6 |
Melle gaat met 20 euro naar de winkel. Hij koopt een zak aardappels voor 4 euro. Hoeveel euro krijgt Melle terug?
_______________________16_______________________
|
|||||
7 |
Mama snijdt eerst 2 taartpunten, daarna snijdt ze nog 2 taartpunten en later nog 5 taartpunten. Hoeveel taartpunten heeft mama gesneden?
_______________________9_______________________ taartpunten
|
|||||
8 |
In een kerstboom hangen 15 kerstballen. Wouter valt tegen de boom. Er gaan 6 kerstballen kapot. Hoeveel ballen zijn er nog heel?
_______________________9_______________________ kerstballen
|
|||||
9 |
9 uur X 10 uur 11 uur 7 uur |
|||||
10 |
Mason heeft 4 rode pennen en 5 blauwe pennen. Hoeveel pennen heeft Mason?
_______________________9_______________________ pennen
|
Copyright 2024 © Redactiesommen.nl
Privacy beleid
Kijk ook eens op www.rekenspelletjes.nu en bijdeles.online (quiz taal/rekenen/spelling)









